megillah2

Een megilla is één van de vijf boekrollen van de Bijbel (Ruth, Hooglied, Klaagliederen, Prediker en Esther). Meestal verwijst deze term echter naar de boekrol van Esther, die met Poerim in zijn geheel wordt gelezen. Omdat de boekrol van Esther tien hoofdstukken lang is, heeft de uitdrukking ‘hele megilla’ de betekenis gekregen van het geheel of de totale hoeveelheid van iets.

We zijn vertrouwd met het verhaal van Esther. Vanaf onze kinderjaren hebben velen van ons meegedaan met de Poerimstukjes die opgevoerd werden door onze tempel of synagoge, onze Hebreeuwse school of jeugdgroep. Welk Joods meisje verlangde er niet naar om de rol van de mooie koningin Esther te spelen? Welke Joodse jongen heeft niet met zijn vrienden gewedijverd om te zien wie het meeste lawaai kon maken met zijn ratelaar (iets dat enorm kabaal maakt) om de naam van de slechte Haman te overstemmen?

Omdat het verhaal van Esther zo bekend is, is het gevaar groot dat we een van de meest fascinerende mysteries daarvan missen: namelijk dat in die hele megilla nergens de naam van God wordt genoemd.

Wat?! Hoe is het mogelijk dat Gods naam is weggelaten? Het is tenslotte één van de boeken van onze heilige Schriften – hoe kan het een heilig boek zijn wanneer het zelfs de God van Israël niet erkent?

Er zijn antwoorden voor hen die bereid zijn ernaar te zoeken – tenminste drie verschillende antwoorden!

ANTWOORD 1: De naam van God is niet aanwezig in de megilla van Esther, omdat die naam in andere talen moeilijk te vertalen is. In hoofdstuk 1:1 en 8:9 leren we dat het gebied waarover koning Ahasveros regeerde een gebied bestreek dat zich uitstrekte van Indië tot Ethiopië. In zijn rijk waren er 127 verschillende provincies. Hoewel niet elke province zijn eigen schrift en taal zal hebben gebruikt moeten er toch tientallen verschillende talen en ethnische groepen zijn geweest binnen de grenzen van het Medisch-Perzische rijk. De gebeurtenissen die beschreven zijn in het boek Esther werden doorgegeven aan de in verschillende provincies levende Joden, en waren zeer waarschijnlijk vertaald in de verschillende regionale talen. Wat zou er met de naam van God gebeurd zijn in zo’n vertaling? Het had een transliteratie kunnen worden. Dat wil zeggen, omgezet in de zoveel mogelijk corresponderende letters van de nieuwe taal, met het gevaar dat de niet-Joodse lezer de fout zou kunnen begaan om te proberen de heilige naam van God uit te spreken. Of hij had vervangen kunnen worden door de naam van welke plaatselijke god ook, die bovenaan de hiërarchie stond in de religie van die specifieke locatie, een eveneens onwenselijke situatie. Het is dus heel goed mogelijk dat de naam van God was weggelaten om zulke vertaalproblemen te voorkomen.

ANTWOORD 2: De naam van God wórdt in de megilla gevonden. Hij is er, maar hij is verborgen. Eén van de favoriete tactieken van Hebreeuwse schrijvers is het acrostichon, waarin de eerste letters van de opeenvolgende woorden een woord of patroon vormen. Psalm 119 is een goed voorbeeld: de regels van alle strofen beginnen met de opeenvolgende letters van het Hebreeuwse alfabet. Acrostichons zijn in poëzie moeilijker te onderkennen, maar de slimme koningin Esther ziet kans om er één te verwerken in haar verzoek aan koning Ahasveros in hoofdstuk 5:4. Ze zegt: “Als het de koning goeddunkt, laat de koning dan vandaag met Haman naar de maaltijd komen die ik voor hem heb aangericht.” Het woord ‘laat hem dan komen’ is ‘yavo’, het woord voor ‘de koning’ is ‘ha-melech’, ‘Haman’ is ‘ve-Haman’, en ‘deze dag’ is ‘ha-yom’. De eerste vier letters van deze woorden vormen hwhy (yod, hey, vav, hey) – die samen de heilige en onuitspreekbare naam van God vormen.

Voor Engelstaligen kan dit acrostichon puur toeval lijken, maar Hebreeuwse geleerden verzekeren ons dat het niet zo is. De schrijver van de megilla heeft met opzet deze methode gekozen om kenbaar te maken dat God werkelijk aanwezig is in het verhaal van Esther.

ANTWOORD 3: God is zelf aanwezig in de megilla van Esther, omdat Hij degene is Die de gebeurtenissen die erin voorkomen leidt en bestuurt, en Die de hoofdpersonen Esther en Mordechai inspireert tot hun godvrezende houding.

Veel van de gebeurtenissen die beschreven zijn in het boek Esther zijn duidelijke aanwijzingen van de hand van God in de situatie. In de eerste plaats dat Esther genade vindt bij koning Ahasveros, en de bereidheid van de koning om haar zijn scepter toe te reiken om haar pleidooi te horen; Mordechai die het complot tegen de koning afluistert, gecombineerd met de latere slapeloosheid van de koning en zijn lezen van de heldendaad van Mordechai in de kronieken van het koninkrijk; en het feit dat al deze gebeurtenissen voor ons beschreven zijn om nu nog van te leren en om die te herdenken.

We zien de hand van God ook in de houding van Zijn volk. In hoofdstuk 4:14 spreekt Mordechai zijn vertrouwen uit dat hulp ‘uit een andere plaats’ zou komen, zelfs als Esther haar mond niet open durft te doen; toch is hij overtuigd dat Esther juist voor deze tijd op de troon is gezet, en dat ze haar volk niet zal teleurstellen. Het is duidelijk dat Mordechai God Zelf de eer geeft van het feit dat Hij Esther op de troon heeft geplaatst.

In hoofdstuk 4:16 vast Esther zelf, en verzoekt dat al de Joden in Susan ook voor haar vasten. Hoewel alleen vasten specifiek wordt genoemd, is het niet onredelijk om te veronderstellen dat terwijl de mensen zich drie dagen van voedsel onthielden om Esthers verzoek te honoreren, dat zij ook tot de God van Israël hebben gebeden zoals Esther zelf ook deed.

In hoofdstuk 10:3 zien we een laatste verwijzing naar de aanwezigheid van God bij Mordechai: waar hij verheven wordt tot een positie van macht, slechts ondergeschikt aan Ahasveros zelf, zoekt Mordechai het goede voor zijn volk en het goede voor de natie boven zijn eigen eer of glorie. Alleen een gepaste eerbied voor God kon hem in een dergelijke houding laten volharden.

Hoewel Zijn naam alleen op een mysterieuze en verborgen manier aanwezig is, hebben we gezien dat de God van Abraham, Izak en Jakob de hoofdspeler is in het stuk van Esther – in het leiden en besturen van gebeurtenissen en in het inspireren van mannen en vrouwen om op Hem te vertrouwen voor hun bescherming en veiligheid, en niet op menselijke heersers. Maar misschien is dit het echte mysterie van de megilla: Hoe kunnen wij, de zonen en dochters van Israël, ons leven van dag tot dag leven alsof God niet bij ons betrokken zou zijn, alsof Hij niet net zo verlangend zou zijn dat wij op Hem vertrouwen voor onze veiligheid en ons welzijn zoals Hij dat was voor onze voourouders?

Als Joden worden we omringd door de ‘Hamans’ van vandaag: antisemitisme, secularisatie en cynisme. Zullen we naar God opzien om ons te bevrijden of zullen we doorgaan met Hem te negeren? Dat is het mysterie in de megilla.

Jeff Millenson