rabbi

Een studie van Jesaja 53

Op de Hebreeuwse school in het vooroorlogse Polen spraken we nooit over dit onderwerp. In mijn opleiding tot rabbijn werd het drieënvijftigste hoofdstuk uit het boek van Jesaja voortdurend vermeden, zodat andere, meer ‘gewichtige’ onderwerpen bestudeerd konden worden. Maar toen ik dit gedeelte uiteindelijk toch las, stapelden de vragen in mijn hoofd zich op.

Zie, Mijn Knecht zal verstandig handelen, Hij zal verhoogd worden en verheven, ja, zeer hoog verheven worden. Zoals velen zich over U ontzet hebben – zo geschonden was Zijn gezicht, meer dan van iemand anders, en Zijn gestalte, meer dan van andere mensenkinderen – zó zal Hij vele heidenvolken besprenkelen, koningen zullen vanwege Hem sprakeloos staan. Want zij aan wie het niet verteld was, zullen het zien, en zij die het niet gehoord hebben, zullen het begrijpen. Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm van de HEERE geopenbaard? Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht, als een wortel uit dorre aarde. Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, bekend met ziekte, en als iemand voor wie men het gezicht verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen, ons leed heeft Hij gedragen. Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde, door God geslagen en verdrukt. Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg. Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen. Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen, en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest. Men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij de rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in Zijn mond geweest is. Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt. Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nageslacht zien, Hij zal de dagen verlengen; het welbehagen van de HEERE zal door Zijn hand voorspoedig zijn. Om de moeitevolle inspanning van Zijn ziel zal Hij het zien, Hij zal verzadigd worden. Door de kennis van Hem zal de Rechtvaardige, Mijn Knecht, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Daarom zal Ik Hem veel toedelen, en machtigen zal Hij verdelen als buit, omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood, onder de overtreders is geteld, omdat Hij de zonden van velen gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft. Jesaja 52:13-53:12

Over wie spreekt dit hoofdstuk? De woorden zijn duidelijk – het gedeelte vertelt ons van een buitengewone ‘Knecht des Heren’, wiens gelaat geschonden was, en die geplaagd en verdrukt werd. Hij verdiende geen pijn of wonden, maar is vanwege onze overtredingen verwond, vanwege onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld en door Zijn striemen is voor ons genezing gekomen. De tekst stelt de lijdende Knecht des Heren voor die sterft als “korban”, een wedervergelding voor schuld. Daarna wordt Hij begraven met de rijken en bij de goddeloze mensen, maar wordt glorierijk tot leven gewekt. God staat toe dat Zijn verdrukte en op het eind verhoogde Knecht dit lijden ondergaat om de zonden van velen weg te nemen.

Maar wie is deze Knecht? Onze oude verklaarders waren het er unaniem over eens dat de context duidelijk over Gods Gezalfde, de Messias, spreekt. De Aramese vertaling van dit hoofdstuk, toegeschreven aan Rabbi Jonathan ben Uzziël, volgeling van Hillel, die in het begin van de tweede eeuw leefde, begint met de eenvoudige, gewichtige woorden:

Ziet, Mijn knecht Messias zal voorspoedig zijn; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer machtig worden, terwijl het huis van Israël Hem vele dagen zocht, omdat hun aangezicht was verduisterd onder de volken en hun gelaatskleur donkerder dan de mensenkinderen. (Targum Jonathan over Jesaja 53)

In de Babylonische Talmoed vinden we dezelfde verklaring:

De Messias – hoe luidt Zijn naam? … De rabbi’s zeggen: “De melaatse”; die van het huis van de rabbi zeggen: “De zieke”, zoals gezegd wordt: “Voorwaar, onze ziekten heeft Hij op Zich genomen.” (Sanhedrin 98b)

Een gelijkluidende verklaring lezen we in de Midrash Rabbah, in een toelichting op Ruth 2:14:

Hij spreekt van de Koning Messias: “Kom hierheen, kom dichterbij de troon en doop uw bete in de azijn.” Dit heeft betrekking op de straf zoals gezegd wordt: “Maar om onze overtredingen is Hij verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld.”

Hetzelfde vinden we ook in een latere midrash, de Midrash Tanguma, parasha Toldot, aan het eind van het gedeelte, waar staat geschreven:

“Wie zijt gij, o grote berg?” (Zacharia 4:7). Dit heeft betrekking op de Koning Messias. En waarom noemt hij Hem de “grote berg?” Omdat Hij groter is dan de patriarchen, zoals gezegd wordt: “Mijn knecht zal hoog en verheven zijn, ja hemelhoog verheven.” Hij zal verheven zijn boven Abraham, die zei: “Ik zweer bij de HEERE” (Genesis 14:22), verheven boven Mozes die tegen de HEERE zegt: “Of heb ik het gebaard, zodat U tegen mij zou kunnen zeggen: Draag het in uw schoot,” (Numeri 11:12), verhevener dan de dienende engelen, van wie geschreven staat: “Wat hun velgen betreft: die waren hoog en die waren vreeswekkend.” (Ezechiël 1:18). En uit wie komt Hij voort? Uit David.

Dit zijn een paar van de oude verklaringen die dit hoofdstuk toeschrijven aan de lijdende en verhoogde Messias.

Rashi (Rabbi Shlomo Itzchaki, 1040 – 1105) en enkele van de latere rabbi’s legden desondanks dit tekstgedeelte uit als betreffende Israël. Zij waren zich er van bewust dat het volgens de oudere verklaringen de Messias betrof. Rashi leefde echter in een tijd dat een ontaarde, middeleeuwse verdraaiing van het Christendom werd gepraktiseerd. Hij wilde de Joodse bevolking ervoor bewaren zo’n godsdienst te aanvaarden en hoewel zijn bedoelingen oprecht waren, zagen andere vooraanstaande Joodse rabbi’s en leiders de inconsequenties in Rashi’s verklaring. Ze kwamen met een drievoudig bezwaar tegen zijn nieuwe uitleg. Ten eerste wezen ze op de consensus aangaande de oude zienswijze. Ten tweede stelden ze vast dat de tekst in het enkelvoud gesteld is. Ten derde merkten ze het achtste vers op. Dit vers vormde een onoverkomelijk probleem voor hen die deze passage lieten betrekken op Israël. Het vers zegt:

Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen, en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.

Werd het Joodse volk, God verhoede het, ooit afgesneden uit het land van de levenden? Nee! In Jeremia 31:35-37 beloofde God dat wij voor altijd zullen blijven bestaan. We zijn dankbaar – Am Israel Chai – “Het volk Israël is springlevend”. Eveneens is het onmogelijk te zeggen dat Israël geleden heeft om de overtredingen van “mijn volk”, wat duidelijk wijst op het volk van Jesaja. Met Jesaja’s volk worden ook zeer zeker niet de heidenen bedoeld, maar de joden.

Moshe Cohen, een Spaanse rabbi uit de vijftiende eeuw, legt het tekstgedeelte als volgt uit:

Deze passage, zo zeggen de commentatoren, spreekt van de gevangenschap van Israël, ook al wordt door het hele gedeelte de enkelvoudvorm gebruikt. Volgens anderen zou het hier over de verdrukte en vervolgde rechtvaardigen in de tegenwoordige wereld gaan, maar ook dezen verdraaien de natuurlijke betekenis van de verzen door het enkelvoud in het meervoud te veranderen. En toen daagde het me dat … ze de kennis van onze Leraren de rug toegekeerd hadden en neigden “naar de koppigheid van hun eigen harten en naar hun eigen zienswijze”, en ben ik verheugd het uit te leggen in overeenstemming met het onderwijs van onze Rabbi’s, van de Koning Messias.**

Om dezelfde reden wees Rabbi Moshe Alsheikh, Rabbi van Safed, eind zestiende eeuw erop:

Ik mag daarom opmerken, dat onze Rabbi’s eenstemmig accepteren en bevestigen dat de profeet over de Koning Messias spreekt.**

Zeer relevant is het commentaar van de grote Joodse pedagoog Herz Homberg (1749-1841):

Volgens Rashi en Ibn Ezra heeft het betrekking op Israël tegen het einde van zijn gevangenschap. Maar als dat zo is wat kan er dan bedoeld worden met de passage, “Maar Hij is om onze overtredingen verwond”? Wie werd verwond? Wie zijn de overtreders? Wie heeft de ziekten op zich genomen en de pijn gedragen? Het antwoord is dat dit de Koning Messias betreft.**

Eén van onze grootste Joodse religieuze dichters, Eliëzer HaKalir heeft dit hoofdstuk in de negende eeuw in dichtvorm omgezet. Het wordt voorgedragen in het Jom Kippoer-gebed van Kether:

De Messias, onze gerechtigheid, heeft zich van ons gekeerd:
we leven in doodsangst en er is niemand om ons te rechtvaardigen!
Onze ongerechtigheden en het juk van onze overtredingen heeft Hij gedragen
want Hij is om onze overtredingen verwond:
Hij draagt onze zonden op Zijn schouders,
opdat wij vergeving mogen vinden voor onze ongerechtigheden
en door Zijn striemen worden wij genezen.
O Eeuwige,
de tijd is gekomen om een nieuwe schepping te maken:
haal Hem op vanuit het hemelgewelf,
trek Hem voort uit Seïr,
dat Hij ons Zijn stem laat horen in Libanon,
opnieuw door de hand van Yinnon.***

De woorden van de profeet Jesaja zijn woorden van hoop. We hebben een glorieuze toekomst en een overvloedig heden, als we ons de zaligheid toe-eigenen die mogelijk werd gemaakt door Hem die “door onze overtredingen verwond en om onze ongerechtigheden verbrijzeld werd”.

Rachmiel Frydland

 

*(Van de redacteur: Jesaja 52:13-53:12 uit de Engelse vertaling van de Heilige Schriften, bewerkt in overeenstemming met de Joodse traditie en de moderne Bijbelse wetenschap, door Alexander Harkavy, uitgegeven door de ‘Hebrew Publishing Company’, NewYork, 1916).

Gebruikte vertaling: Herziene Statenvertaling, 4e druk 2012.

**Citaten uit: Driver, S.R. en Neubauer, A. The Fifty-Third Chapter of Isaiah According to the Jewish Interpreters, Ktav Publishing House, New York, 1969.

***Volgens de rabbijnse uitleg van Psalm 72:19 zal een van de namen van de Messias Yinnon zijn.